Hoe moeten we omgaan met Erdogan?

erdogan

Erdogan lijkt zowel vriend als vijand. Moeten we hem meer of minder steunen?

Door Menno van der Veen, Esther de Roos en Emma Smit

Na de mislukte staatsgreep ontpopt de Turkse president Tayyip Erdogan zich in eigen land steeds meer als antidemocratisch en autoritair leider. Tegelijkertijd is hij een gewaardeerd bondgenoot van het westen in de strijd tegen IS en heeft Europa hem nodig bij het beteugelen van de vluchtelingenstroom. Hoe moet Nederland met hem Erdogan omgaan?

Hoogleraar antropologie Thijl Sunier onderscheidt twee soorten Erdogan-critici. De eerste groep bestaat uit felle tegenstanders, zoals D66-leider Alexander Pechtold, die de Turkse president zien als dictator die geen steun meer verdient. Volgens Sunier brengt die ‘morele verontwaardiging’ ons geen stap verder. ‘Ik vind het op zijn zachtst gezegd misplaatst. Waarom kom je nu met die kritiek?’ Volgens hem heeft Turkije sinds 1963 nooit voldaan aan de democratische voorwaarden om toe te mogen treden tot de EU. ‘In de jaren tachtig was er ook een staatsgreep, maar daarna gingen de onderhandelingen gewoon door.’ Sunier behoort zelf tot de tweede soort Erdogan-critici: de pragmatisten. ‘Je mag wel kritiek hebben op Erdogan, maar we zullen toch afspraken met hem moeten maken. We doen ook zaken met landen als Saoudi-Arabië, Israël of Rusland waar veel mis is.’ Sunier: ‘Laten we reëel blijven. Turkije is geen schurkenstaat.’

Nederlanders moeten zich bovendien realiseren dat Turkije meer is dan Erdogan. ‘Van oudsher heeft Turkije een etatistisch systeem, dus een sterke staat. Daarin was geen ruimte voor een maatschappelijk middenveld van organisaties die tussen overheid en maatschappij in staan.’ Sinds de jaren tachtig verandert dat snel, zegt Sunier. ‘We moeten helpen het Turkse maatschappelijk middenveld te versterken. Dat vormt een buffer tegen te veel macht voor leger of president.’ Nederlanders kunnen dat volgens hem doen door ‘bij wijze van spreken te doen alsof hun neus bloedt en doorgaan met projecten en investeringen in Turkije.’ Als wetenschapper zoekt hij zelf nadrukkelijk contact Turkse collega’s. ‘Zo zouden ook Nederlandse journalisten de banden met hun Turkse collega’s kunnen aanhalen. Iedereen kan vanuit zijn eigen vakgebied helpen de situatie in Turkije te verbeteren. Dat is beter dan het land compleet in de ban doen.’

Volgens politicologe Charlotte Hille heeft Erdogan het momenteel zwaar: hij heeft ternauwernood een couppoging overleefd, kampt met onrust met de Koerden en aan de Syrische grens. ‘Hij voelt zich niet gesteund door het westen. Hij onderhandelt nu met Rusland en Iran om druk te zetten.’ Volgens Hille kunnen we Erdogan simpelweg niet missen als bondgenoot. ‘Maar we moeten hem wel kritisch aanspreken.’ Nederland, dat zich graag als mensenrechtenland profileert, kan dat bijvoorbeeld doen in de Raad van Europa, het verbond van 47 Europese landen (waaronder Turkije) die het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens hebben ondertekend. ‘Erdogan moet de mensenrechten en democratie beschermen. Het is de taak van minister Koenders of premier Rutte om dit aan hem duidelijk te maken.’ Volgens Hille moeten we niet de fout maken ons met de Turkse binnenlandse politiek te bemoeien. ‘We moeten Turkije alleen aanspreken als het mensenrechten schendt.’ Andersom mogen we ook verlangen dat Turkije zich niet met de Nederlandse binnenlandse politiek bemoeit. ‘Duitsland heeft heel duidelijk laten weten dat Erdogan geen onrust in Duitsland mag veroorzaken. Het is goed dat Nederland dat ook doet.’

Politicoloog Kris Ruijgrok onderzoekt de rol van internet bij straatprotesten tegen autoritaire regimes. Wat dat betreft was de Turkse couppoging uitermate interessant. ‘Het internet wordt vaak gezien als magische technologie waarmee activisten mensen kunnen mobiliseren en dictators op de knieën krijgen.’ Maar bij de couppoging in Turkije waren de staatstelevisiestations juist in handen van coupplegers, en mobiliseerde de regering haar medestanders via social media. ‘Dat bleek cruciaal om de coup in de kiem te smoren.’ Ook Ruijgrok denkt dat Erdogan veel kwetsbaarder is dan veel mensen denken: ‘Turkije is enorm afhankelijk van de EU. Het gaat slecht met de Turkse economie, het land heeft weinig regionale bondgenoten en het heeft haar handen vol aan de Koerdische bewerking PKK en de oorlog in buurland Syrië.’ Dat betekent dat Europa concrete voorwaarden kan stellen als Turkije om hulp vraagt. Omgekeerd heeft Erdogan ook een flinke troef in handen: Turkije is nodig om de vluchtelingenstroom naar Europa op te vangen. Ruijgrok denkt dat Europa hem die troefkaart kan afnemen door ‘fors te investeren in legale migratiestromen vanuit Syrië en omliggende landen, of door te zorgen dat Syrië veiliger wordt.’ Dat betekent wel dat Europa om tafel moet met andere omstreden leiders: ‘Nederland kan zijn nek uitsteken en aandringen op onderhandelingen met Assad, desnoods met hulp van Iran en Rusland. Zo kunnen we proberen vredesbesprekingen af te dwingen. Of op z’n minst een staakt het vuren.’

Hoogleraar Europese studies  László Marácz vindt dat Europese politici ‘de droombeelden van een Europees Anatolische Unie’ moeten laten varen. ‘Europa wil van Turkije een liberale democratie maken, maar uit de couppoging blijkt wel dat zoiets geen reële verwachting is. Je kan Turkije geen Europees model opleggen als haar burgers duidelijk aangeven dat niet te willen.’ Volgens Marácz moeten we met Turkije omgaan zoals we in de Koude Oorlog met de Sovjet-Unie deden: in vreedzame co-existentie. ‘Turkije lijkt niet op ons. Het is goed als we erkennen waar Turkije voor staat, en dat is onder andere voor een politiek systeem dat kerk en staat vermengt.’ De huidige situatie waarbij de EU Turkije steeds de les leest, en die lessen weer vergeet als het Turkije nodig heeft, is behoorlijk inconsequent. ‘Op die manier manoeuvreren we ons voortdurend in een ondergeschikte positie. We moeten niet willen dat Turkije de Europese problemen oplost.’ Volgens Marácz zou de EU zelf zorg moeten dragen voor de Europese buitengrenzen en veiligheid. ‘Nederland moet ervoor pleiten dat Europese landen solidair zijn met Italië en Griekenland die de vluchtelingenstroom niet aankunnen. Alle lidstaten moeten helpen de Schengengrenzen te bewaken. Dan hebben we geen vluchtelingendeal met Erdogan nodig. Dat leidt tot veel helderdere internationale betrekkingen met Turkije.’