Hoe kan de MINUSMA-missie vrede brengen in Mali?

mali-aankondiging

Ondanks VN-vredesmissie MINUSMA is het in Mali nog altijd zeer onrustig. Hoe kan de Nederlandse militaire bijdrage daarin verandering brengen?

Door Michiel Hulshof en Esther de Roos

Binnenkort besluit Den Haag over een verlenging van de Nederlandse bijdrage aan VN-vredesmissie MINUSMA in Mali. Daar doen sinds 2014 zo’n 450 Nederlandse militairen aan mee. Hun taak: het verzamelen van inlichtingen. Maar de situatie in het Afrikaanse land blijft instabiel: de kracht van terreurgroepen neemt zelfs toe. Hoe zorgen we de verlenging van de Nederlandse missie succesvoller verloopt?

Jurist Kenneth Manusama is gespecialiseerd in internationale vrede en veiligheid. De term ‘vredesmissie’ wekt volgens hem te hoge verwachtingen. ‘Politici moeten duidelijk maken dat een VN-vredesmissie nooit op zichzelf duurzame vrede kan brengen. Het zijn de strijdende partijen die met elkaar moeten willen overleggen.’ Met dat in het achterhoofd vindt hij het mandaat van de vredesmissie in Mali te beperkt. ‘Als we willen voorkomen dat het land uiteen valt, moeten we zorgen dat de Malinese overheid meer gezag krijgt. Dat kan eigenlijk alleen door middel van economische ontwikkeling. Pas als de economie groeit, zal de overheid meer geaccepteerd worden en ontstaat draagvlak voor bijvoorbeeld belastingheffing.’ Zijn advies aan de Nederlandse regering: ‘Maak gebruik van onze uitgebreide kennis over de do’s-and-don’ts van ontwikkelingshulp. Ontwikkelingsdoelen moeten integraal onderdeel gaan uitmaken van de missie.’

Volgens promovenda high risk politics Dieuwertje Kuijpers ontbreekt het bij militaire missies vaak aan een heldere end game. Sinds de val van de Berlijnse muur spelen gewapende conflicten zich steeds minder vaak af tussen twee landen, maar gaat het veelal om terreurgroepen. ‘Dat maakt de situatie complex. Het doel van militair ingrijpen is niet meer alleen om de strijdende partijen aan tafel te krijgen.’ Toch moet de politiek een helder doel formuleren om het draagvlak onder de bevolking te behouden. ‘Burgers moeten zelf kunnen beoordelen of een missie succesvol is of niet.’ Het doel ‘vrede brengen’ is volgens Kuijpers enerzijds te vaag en anderzijds te ambitieus voor 12 duizend soldaten. ‘Dat zie je vaker bij VN- of EU-missies: zeer ambitieuze formuleringen, met slechts een handjevol soldaten die dat voor elkaar moeten zien te boksen. Na de val van Khadaffi moesten honderd Europese soldaten de vierduizend kilometer lange grens van Libië bewaken. Gekkenwerk! In Mali zijn simpelweg meer troepen nodig. Anders is het vechten tegen de bierkaai.’

De Nederlandse overheid werkt zich ook op een andere manier in de nesten. ‘De regering benadrukt steeds dat Nederlandse militairen in Mali slechts inlichtingen verzamelen. Dat wekt de indruk dat ze geen geweld hoeven toe te passen.’ Daarin schuilt een gevaar, meent Kuijpers: ‘Door politieke voorzichtigheid frustreert de regering de kans op militair succes. Kiezers zullen zich gaan afvragen wat we in vredesnaam in Mali doen.’ Zo dreigt een spiraal waarbij politici steeds voorzichtiger worden met militaire missies. ‘De verlies-aversie kan uiteindelijk zo groot worden dat politici helemaal geen risico’s meer willen nemen. Logische consequenties van oorlog voeren, zoals geweld en militaire verliezen, worden politiek taboe. Dat is alsof je wil dat brandweermannen niet langer geconfronteerd worden met brand.’

Ook politicoloog Paul van Hooft vindt dat we niet kunnen ontkennen dat geweld nu eenmaal hoort bij een militaire missie. De Fransen spreken helder over ‘de oorlog in Mali’, maar in Nederland ‘worden we daar heel ongemakkelijk van.’ Van Hooft wijt het verschil aan de Irak-oorlog, waaraan Nederland wel meedeed en Frankrijk niet. ‘Bij de Irak-oorlog waren de verwachtingen vooraf veel te hoog. Niet alleen waren er geen massavernietigingswapens, ook bleek het veel moeilijker om stabiliteit en democratie te brengen dan de VS vooraf voorstelde. Bij staten die daaraan meededen bestaat nu meer wantrouwen ten opzichte van militair optreden.’ Bestond er bij de Irak-oorlog teveel optimisme, nu moeten we uitkijken voor teveel pessimisme, zegt Van Hooft. ‘Mali staat sinds 2012 op het punt van uiteenvallen. Zonder militair ingrijpen was er nóg een slepend conflict waarmee islamisten hun invloed in de regio zouden vergroten. De Nederlandse militaire aanwezigheid is verstandig voor ons nationale belang, maar we kunnen Mali niet ineens veranderen in een soort Zweden. We moeten rationeel blijven. Er bestaat geen pijnloze oplossing zonder slachtoffers, waarbij alles in een keer goed komt.’

Een van de grootste problemen van een militaire missie is dat het moeilijk – of zelfs onmogelijk – is te voorspellen hoe de situatie in Mali zich zal ontwikkelen. Hoe kunnen politici dan toch garanderen dat ze nu kiezen voor de juiste aanpak?

Ook wetenschappers hebben in hun eigen werk te maken met grote onzekerheden, zegt wetenschapsfilosoof Pim Klaassen: ‘Voordat je aan een onderzoek begint, kan je niet voorspellen wat het gaat opleveren. Je moet ervoor zorgen dat je de onderzoeksopzet tijdens het proces steeds kan aanpassen.’ Deze strategie van responsible research and innovation is in de wetenschap in opkomst. Samen met collega’s ontwikkelde Klaassen er een model voor. Belangrijke pijlers van de aanpak zijn openheid, transparantie en aanpassingsvermogen. ‘Als je de voortgang en resultaten van je onderzoek steeds met mensen deelt, hen feedback laat geven en daar naar handelt, verklein je de kans op ongewenste uitkomsten.’

Volgens Klaassen valt de methode prima toe te passen op andere complexe operaties, zoals een vredesmissie in Mali. ‘Om ongewenste uitkomsten van de missie te voorkomen, moet de aanpak op elk moment kunnen worden bijgestuurd op basis van de werkelijke resultaten.’ Dit kan het beste gebeuren door mensen uit zoveel mogelijk verschillende hoeken mee te laten kijken. ‘Transparantie bij militaire missies ligt gevoelig. Maar misschien kan je denken aan een besloten groep burgers waarmee je het proces en het mandaat constant evalueert. Halen we op deze manier de doelen die ons met de Mali-missie voor ogen hadden? En welke waarden worden gerespecteerd of komen juist in het geding?’